De geschiedenis begrijpen: het verhaal van Jan Harm van den Poll
Wat betekent het om de geschiedenis écht te begrijpen? In aanloop naar Dodenherdenking en Bevrijdingsdag staan we stil bij verhalen die ons dichter brengen bij die vraag. Verhalen over mensen van toen – jong en oud, dapper of twijfelend, zichtbaar of juist stil op de achtergrond – die samen de geschiedenis vormden in een tijd van bezetting en onzekerheid.
Nu de laatste ooggetuigen van de Tweede Wereldoorlog langzaam verdwijnen, verandert ook de manier waarop we herinneren. Hun persoonlijke verhalen maken plaats voor wat zij hebben nagelaten: ervaringen, waarschuwingen en lessen. Juist daarom is het belangrijk om niet alleen te herdenken, maar ook proberen te begrijpen. Hoe konden gewone levens verstrikt raken in buitengewone omstandigheden? Welke keuzes maakten mensen – en waarom?
Met De geschiedenis begrijpen nodigen we u uit om stil te staan, te lezen en vooral: na te denken. Niet alleen over het verleden, maar ook over onze eigen rol in het heden.
Het verhaal van Jan Harm van den Poll (90 jaar)
Jan Harm werd geboren in Bergentheim (Ambt Hardenberg) en heeft daar zijn jeugd doorgebracht. Het gezin woonde in een woning op de woeste grond, vlak bij de spoorlijn Zwolle-Emmen. Vader was werkzaam bij de post. Zijn vader en moeder hadden een vooruitziende blik, want een stal voor 1 koe maakte deel uit van de nieuw gebouwde woning. Ook was er plaats voor een varken en was er een grote moestuin. Het gezin bestond uit vader, moeder, een inwonende opoe en een zusje (geboren in 1944). Alhoewel Jan Harm in Bergentheim zijn jeugd heeft doorgebracht, is hij geen onbekende in ons stadje aan de Vecht. Hij heeft 40 jaar bij de politie gewerkt, waarvan een groot aantal jaren in Ommen.

Het begin van de oorlog
Jan Harm was 4 jaar toen de oorlog uitbrak. Hij herinnert zich een moment dat hij aan het begin van de oorlog bij vader voor op de fiets langs de Kloosterdijk fietste en dat daar toen oorlogsmateriaal stond. Hij gaf aan dat hij er verder niet zoveel meer van weet, want tegen het einde van de oorlog was hij pas 9 jaar. Maar, zo klein als hij was, weet hij zich toch een aantal zaken te herinneren.
Zo had hij een speelkameraadje dat Jan heette. Jan logeerde bij hen thuis. Hij was met een aantal andere kinderen uit Utrecht gekomen. Zij waren allen ondervoed en waren op initiatief van de kerken naar Bergentheim gekomen om aan te sterken.
Het onderduikershol
Jan Harm en Jan hadden wel eens opgevangen dat er zogenaamde “onderduikersholen” waren en samen maakten zij er ook één. Op een dag hadden ze besloten om een nacht in het hol te slapen. Zijn ouders hadden wat bedenkingen en zeiden: “Zouden jullie dat wel doen? Durven jullie dat wel?” Nou, ze durfden het wel aan. Maar toen zijn ouders laat in de avond nog even kwamen kijken, wilden ze toch wel liever mee naar hun eigen warme bed. Achteraf was dat maar goed ook, want juist in die nacht werd door Engelse vliegtuigen een aanval gedaan op de wissels van de nabijgelegen spoorlijn, waarlangs de Duitsers wapens en munitie vervoerden. De volgende dag vonden zij zware koperen mitrailleurhulzen bij hun onderduikershol. Als je jong bent, is alles interessant en aan gevaar dacht je niet.
Een menselijk schild
De spoorlijn waar zijn ouderlijk huis vlakbij stond, was erg belangrijk. De Duitsers vervoerden wapens en munitie via deze lijn naar het westen van Nederland. Het was streng verboden om langs de spoorlijn te lopen. Dat kregen de jongens elke keer te horen. Jan Harm vond het dan ook geweldig interessant dat hij toch een keer met zijn vader mee mocht toen die langs de spoorlijn moest lopen. Een buitenkansje voor hem. Pas later begreep hij dat het hier ging om een zogenaamd “menselijk schild”. De inwoners van het dorp moesten van de Duitsers bij toerbeurt elke avond en nacht langs de spoorlijn lopen. Daarmee hoopten de Duitsers te voorkomen dat de geallieerde vliegtuigen deze spoorlijn zouden bombarderen.
Er vlogen ook veel vliegtuigen over: geallieerde vliegtuigen die de steden in het Ruhrgebied gingen bombarderen en Duitse jachtvliegtuigen die aanvallen uitvoerden. Als een geallieerd vliegtuig was geraakt, werd er zoveel mogelijk overboord gegooid om het vliegtuig lichter te maken en om zodoende een kans te hebben nog zover mogelijk richting Engeland te vliegen. Jan Harm herinnert zich dat er op een avond een benzinetank van een vliegtuig in het weiland voor hun huis viel. De tank spleet open en veel benzine stroomde eruit. Al gauw kwamen er mannen uit het dorp om te kijken of er nog wat benzine te halen viel. Wat er over was, werd snel in meegebrachte busjes geschept. Toen de meeste benzine eruit was, werd de tank in brand gestoken, omdat ze niet wilden dat dit bij de Duitsers terecht zou komen. Dit was niet zonder gevaar, want de benzine lag overal, waardoor een grote steekvlam ontstond die, als hij niet zo snel was weggesprongen, Jan Harm bijna zijn broek had gekost.
Brave Hendrik
In Bergentheim was in het centrum van het dorp een barakkenkamp van de zogeheten “Arbeitseinsatz”: een door de Duitsers opgerichte arbeidsdienst. Eerst was het op vrijwillige basis, maar later werd het verplicht gesteld. In de kranten werd opgeroepen om zich hiervoor te melden. Het werd voorgesteld als voorbeeldig gedrag om zich hiervoor te melden. Het ging om welopgevoede jonge mensen die de handen uit de mouwen wilden steken. Vandaar: “Brave Hendrik”. In groene uniformen marcheerden ze over straat, met de schop als geweer over hun schouder. Als kind liep Jan Harm er wel eens achteraan en zong hij de liedjes mee. Het waren liedjes die ze in de kerk of op school niet zongen. Deze mannen hadden in hun vrije tijd wel contact met de inwoners van het dorp. Zo kwam bij hem thuis wel eens een zekere Cor uit Hilversum, omdat de broer van Cor, Jan, bij hen thuis ondergedoken zat. Deze Jan studeerde voor accountant en kon prachtig vertellen.
Jan Harm herinnert zich de gezellige avonden bij flikkerende olielampjes (gemaakt van jampotjes), waarop veel gepraat en verteld werd. De verhalen over Old Shatterhand en Winnetou, naar de boeken van Karl May, zijn hem altijd bijgebleven. Lezen behoorde, in verband met het weinige licht, niet tot de mogelijkheden en bovendien moest er verduisterd worden.
Er was in deze regio geen honger en het dagelijkse leven ging zo goed en zo kwaad als het kon door. Zo ook de school. Af en toe moesten ze echter wel naar een tijdelijke, provisorische school in een zalencomplex achter de kerk, omdat Duitsers het schoolgebouw hadden gevorderd.
Jan Harm heeft geen echt nare ervaringen gehad tijdens de oorlogsjaren.
Later begreep hij dat er in Bergentheim veel verzet en illegaliteit was, dat er verraad speelde en dat daardoor twaalf mannen uit Bergentheim gefusilleerd zijn.
Toen Bergentheim op 6 april 1945 door Poolse troepen bevrijd werd, was er snoep, koekjes en sigaretten vanuit rijdende tanks. De familie ging naar oud-Bergentheim om langs de weg te gaan staan waar de tanks langs reden. Dat was groot feest. Hij hoorde zijn moeder zeggen: “We moeten de vlag uitdoen.” Dat was het moment dat hij voor het eerst een vlag zag en begreep wat de betekenis daarvan was.
Tekst door: Mariëlle Hekman & Klazien Wienen (4 & 5 mei comité)